Jezus bad tot zijn Vader in de hemel: “Dit betekent eeuwig leven, dat ze u leren kennen, de enige ware God, en ook degene die u hebt gestuurd,  Jezus Christus” (Johannes 17:3). Het is voor iedereen die God zoekt, en Hem met “geest en waarheid” wil aanbidden (Johannes 4:23, 24) belangrijk om een goed begrip te hebben van de relatie tussen God en zijn Zoon.

Tijdens zijn menselijke bestaan leerde Jezus dat we alleen God moeten aanbidden (Mat. 4:10), bad hij voor de heiliging van de naam van zijn Vader (Mat. 6:9), maakte hij steeds duidelijk dat hij Gods Zoon is (Johannes 20:31), dat hij alles wat hij deed en onderwees van zijn Vader had geleerd, (Johannes 5:19, 30,36; 7:16), dat zijn Vader groter is dan hij (Johannes 14:28), en dat YHWH zijn God en Vader is, zoals YHWH ook de God en Vader van de apostelen is (Johannes 20:17). Ondanks dat begon in de 3e eeuw de gedachte van een drie-eenheid zich te verspreiden (Tertullianus). Wat was de bijbelse ondersteuning daarvoor?

Er is geen enkel ander bijbelvers waarvan een bepaalde uitleg de drie-eenheidsleer zo sterk heeft ondersteund dan 1 Johannes 5:7, 8. Hoewel er meerdere bijbelverzen zijn waarin gesproken wordt over de Vader, de Zoon (het Woord), en de Heilige geest, stelt geen van die verzen dat het over de enige Almachtige God YHWH gaat. Bij één bepaalde versie van deze verzen, het Comma Johanneum genoemd, ligt dat echter anders. Maar dit vers heeft  niet voor niets een dubieuze achtergrond. Wanneer is die bepaalde versie van 1 Johannes 5:7,8 ontstaan, en in welke taal? Moet aan die versie de voorkeur worden gegeven, of juist niet? Laten we eerst eens nagaan wat er in dat bijbelvers staat.

1 Johannes 5:7, 8 in de oudste Griekse handschriften – Wat staat er in 1 Johannes 5:7, 8? Daar staat: “Er zijn dus drie getuigen: de Geest, het water en het bloed, en het getuigenis van deze drie is eensluidend” (NBV). Ook in veel andere vertalingen van diverse christelijke stromingen wordt dit vers op een zelfde wijze vertaald. De eenheid betreft niet een identiteit of substantie, maar een overeenstemming.

Codex Sinaiticus - 1 John 5:7, 8
Codex Sinaïticus 1 Joh. 5:7,8 in unciaal Grieks, Koiné, Grieks en Engels.

Deze vertalingen komen overeen met de oudste Griekse handschriften, zoals bijvoorbeeld de Codex Sinaïticus uit de 4e eeuw, die in 1844 door Tischendorf werd gevonden, maar ook de Codex Vaticanus, uit de 4e eeuw, de Codex Alexandrinus uit de 5e eeuw.

In oudere vertalingen, en de Herziene Statenvertaling  lezen we echter de volgende tekst: “Er zijn dus drie getuigen in de hemel: de Vader, het Woord en de heilige Geest; en deze drie zijn één. En er zijn drie getuigen op de aarde: de Geest, het water en het bloed; en deze drie zijn één”. Het verschil met de vorige vertaling is duidelijk, en groot. Dit is geen vertaling van oude Griekse geschriften, maar deze is gebaseerd op de Griekse Textus Receptus uit de 16e eeuw, die als basis voor de Statenvertaling en veel andere vertalingen, zoals de King James Vertaling, heeft gediend. Het is opmerkelijk dat veel, ook oude Latijnse vertalingen, en de Textus Receptus met elkaar overeenstemmen, hoewel de oude Griekse handschriften deze versie niet ondersteunen. Laten we eens preciezer kijken hoe dit komt.

1 Johannes 5:7, 8 via Erasmus en de Textus Receptus in veel bijbelvertalingen. – Erasmus werkte in de 16 eeuw aan de samenstelling van de Griekse tekst van de Griekse geschriften vanuit de handschriften die toen beschikbaar waren. Beschikbare bijbelvertalingen waren toen vooral in het Latijn geschreven. Voor zijn samenstelling van een Griekse versie van de christelijke geschriften, ook wel Novum Instrumentum genoemd, gebruikte Erasmus 7 Griekse handschriften uit de 10e tot en met de 15e eeuw .

Erasmus' titelpagina van zijn Novum Instrumentum
Titelpagina van de Erasmus’ samenstelling van de christelijke Griekse geschriften. Publiek Domein

Het is betekenisvol dat Erasmus in de eerste twee edities weigerde om de tekst dat God, het Woord en de Heilige geest drie in één zijn, het Comma Johanneum, op te nemen, omdat deze verzen niet in  Griekse handschriften voorkwamen. Vanwege druk van de kerk, en omdat hij in een Grieks handschrift uit de 16e! eeuw, de Codex Montfortianus, de betreffende toevoeging was tegengekomen, zou Erasmus dit tekstgedeelte vanaf de derde editie toch in de Griekse tekst opgenomen hebben (zie voor meer informatie deze link).

Via de latere edities van Erasmus’ Griekse tekst van de christelijke geschriften, en bewerkingen door Stephanus en Beza, is het belangrijkste vers voor de drie-eenheidsleer uiteindelijk in een versie van de christelijke Griekse geschriften terecht gekomen die door bijna iedereen in die tijd geaccepteerd werd, de zogenoemde Textus Receptus (1550). Daarbij werd de schijn gewekt dat de Griekse tekst van de bijbel gelijk was aan de Latijnse vertalingen.

Het is belangrijk om op te merken dat het dogma van de drie-eenheid via o.a. Tertullianus in de 3e eeuw, via concilies in de 4e en 5e eeuw, als dogma werd vastgesteld. Vanaf die tijd komt het Comma Johanneum wel in Latijnse vertalingen voor, maar niet in Griekse handschriften; Latijn was immers de officiële taal in het Romeinse Rijk. In Erasmus’ tijd was dit dogma door de gevestigde christelijke religies overgenomen. Via de Textus Receptus is het Comma Johanneum vanaf de 16e eeuw in bijna alle bijbelvertalingen over de gehele wereld terecht gekomen, waaronder de Statenvertaling en de King James vertaling.

Wat leren de oude Griekse handschriften die na de Textus Receptus openbaar werden over  1 Johannes 5:7, 8? – Nadat de Textus Receptus als standaard voor de christelijke Griekse geschriften werd gebruikt, werden oude Griekse handschriften uit de 4e en 5e eeuw, voor geleerden openbaar gemaakt, zoals de Codex Vaticanus (in de 19e eeuw voor Tischendorf) en de Codex Alexandrinus (sinds de 17e eeuw in bezit van de Royal Library van Engeland), en werden andere oude Griekse handschriften voor het eerst gevonden, zoals de Codex Sinaïticus (1844 gevonden door Tischendorf). In totaal zijn er nu zo’n 5000 Griekse handschriften van delen van de christelijke Griekse geschriften bekend, waarvan meerderen 1 Johannes 5:7, 8 bevatten. Wat leren deze oude handschriften, die niet beschikbaar waren toen de Textus Receptus werd samengesteld, over 1 Johannes 5:7, 8? Inderdaad, dat Erasmus’ conclusie dat het Comma Johanneum niet in de bijbel thuishoort gegrond was. Hieronder volgen enkele passages van geleerden die dit bevestigen.

De tekstcriticus F. H. A. Scrivener schreef over deze trinitarische passage: „Wij behoeven niet te aarzelen om als onze overtuiging kenbaar te maken dat de omstreden woorden niet door St.-Johannes zijn geschreven; dat ze oorspronkelijk in Afrika in Latijnse afschriften zijn ingevoerd vanuit de kantlijn, waar ze waren geplaatst als een vrome en orthodoxe verklarende kanttekening bij vs. 8; dat ze vanuit het Latijn in twee of drie late Griekse codices zijn geslopen, en vandaar in de gedrukte Griekse tekst, een plaats waar ze geen rechtmatige aanspraak op konden maken.” — A Plain Introduction to the Criticism of the New Testament (Cambridge, 1883, derde uitgave), blz. 654.”

In A Textual Commentary on the Greek New Testament, door Bruce Metzger (1975, blz. 716-718), wordt de geschiedenis van de onechte passage nauwkeurig nagegaan. Daarin staat dat de passage voor het eerst opduikt in een verhandeling getiteld Liber Apologeticus van Tertullianus uit de 4de eeuw, en dat ze vanaf de 6de eeuw in Oudlatijnse handschriften en Vulgaathandschriften van de bijbel voorkomt. Ook stelt hij dat de Comma Johanneum “niet [is] terug te vinden in de manuscripten van de oude vertalingen (Syrisch, Koptisch, Armeens, Ethiopisch, Arabisch, Slavisch), behalve in de Latijnse vertaling.”

In een aantekening van het Nederlands Bijbelgenootschap bij de Nieuwe Bijbelvertaling staat: “In een noot bij 1 Johannes 5:7-8 vermeldt de Nieuwe Bijbelvertaling dat sommige handschriften hier een langere tekst hebben. De langere tekst verwijst naar het leerstuk van de triniteit. Deze versie is echter met zekerheid een latere toevoeging aan de tekst. Het oudste handschrift waarin de lange versie voorkomt, is een Latijnse tekst uit de vierde eeuw. In de daaropvolgende eeuwen verschijnt de lange versie steeds vaker in handschriften met de Latijnse tekst van 1 Johannes. In Griekse handschriften komt deze versie echter niet voor, behalve in een handvol late handschriften, meestal als een toevoeging bij de tekst, gebaseerd op de Latijnse versie. De lange versie gold eeuwenlang als het meest duidelijke bijbelse bewijs voor de triniteit. Theologen waren daarom niet bereid om de onechtheid ervan te accepteren. Zo staat de lange versie zelfs in de standaardtekst van het Griekse Nieuwe Testament die vanaf de zestiende eeuw in omloop kwam (de Textus Receptus). Met de huidige kennis kunnen we echter met zekerheid stellen dat de langere versie een latere toevoeging is.”

De belangrijkste ondersteuning voor de drie-eenheidsleer door de mand gevallen. – De bovengenoemde argumenten leiden tot de duidelijke conclusie dat 1 Johannes 5:7,8 zoals deze in de Textus Receptus, en veel vertalingen is voorgekomen, niet in de tekst van de Bijbel thuishoort. De woorden „in de hemel, de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze Drie zijn één. En drie zijn er, die getuigen op de aarde” (SV en HSV), die in oudere vertalingen in 1 Johannes 5:7,8 te vinden zijn, zijn dus in werkelijkheid een onechte toevoeging aan de grondtekst! Ook is het duidelijk dat God ervoor zorgt dat pogingen om Zijn Woord te veranderen onthult, zodat het niet blijvend veranderd kan worden. In moderne Griekse grondteksten van de christelijke Griekse geschriften, zoals van Westcott en Hort, en Nestle/Aland, komt de later toegevoegde formulering voor de ondersteuning van de drie-eenheid daarom niet voor.

Nesle-Aland 1 Joh 5 7
1 Joh 5:7,8 Want er zijn drie getuigen, de geest, het water en het bloed, en deze drie stemmen overeen.

Daarom zijn deze woorden in de meeste nieuwere katholieke en protestantse vertalingen niet meer in de hoofdtekst opgenomen, daar men ze als onecht beschouwt.

Voor iedereen die God nauwkeurig wil kennen, gaat het niet om slechts technische aspecten van het vertalen van de bijbel. Het gaat bij geloof om een goed begrip van de relatie tussen God en zijn Zoon, Jezus Christus. Want als we een verkeerd begrip hebben van hen, dan is het ook niet mogelijk om Jezus’ Vader op een aanvaardbare manier, “met geest en waarheid”, te aanbidden. Door de ontmaskering van het Comma Johanneum valt de belangrijkste ondersteuning voor het dogma van de drie-eenheid ineen, en opent het de weg voor velen om Jezus en zijn Vader op een andere manier te leren kennen: niet als delen van een drie-enige God, maar als een Vader en zijn Zoon, die in doen en laten op zijn Vader lijkt, zoals de gehele schrift eigenlijk duidelijk leert. Daarom is de Vader groter dan Jezus (Johannes 14:28) -zowel vóór, tijdens als na zijn menselijke bestaan-, is Jezus het “begin van de schepping door God” (Openbaring 3:14), en is Jehovah de Vader en God van Jezus Christus (Johannes 20:17).

Natuurlijk zijn er nog andere bijbelverzen die door verdedigers van de drieëenheidsleer worden aangehaald. Het gegeven dat er -eerst bij oude Latijnse vertaling, en veel later bij Griekse handschriften- een vers aan de bijbel toegevoegd, geeft al aan hoe weinig dit dogma ondersteuning in Gods woord vindt. In een volgende blog zal ik ingaan op enkele van deze verzen, en de betekenis van de titels ‘god’ en ‘God’ in de bijbel.

Zie ook de blog: Jezus’ voormenselijke bestaan als Gods Zoon, de “eerstgeborene van heel Schepping”, met betrekking tot de relatie tussen Jezus en zijn hemelse Vader Jehovah voordat zijn leven werd overgebracht naar de maagd Maria.

Stuur een reactie hier of op de Facebookpagina van Tegenwichtblog, en/of zie voor meer informatie http://www.jw.org de artikelen Is Jezus God?, Is God een drie-eenheid?, en Wie is God?